|
Iedere Hollander die wel eens op vakantie is geweest in Frankrijk en aldaar wel eens een wijntje drinkt, kent het fenomeen. Je ontdekt een plaatselijke wijnboer en drinkt er een heerlijke wijn. Ook nog eens niet duur, dus laten we eens gek doen, we nemen wat flessen mee terug naar huis.
Eenmaal terug, nog lekker in de vakantieroes, moet natuurlijk gelijk de buurman/vriend/kennis/broer/zus je vakantie ook even meebeleven. En dus met het fotoboek op schoot (wie doet dat eigenlijk nog?) herstel, dus met de Ipad op schoot, komen de vakantieverhalen los. En al snel kom je natuurlijk uit op jouw ontdekking. Plop, daar vliegt er een kurk los en de ontdekking moet geproefd worden. De droom die diep verstopt zat in je achterste hersendelen, (je baan opzeggen, idyllisch elke maand naar Frankrijk rijden en rijk worden door deze wijn naar Nederland te importeren) valt compleet in duigen. En naast je vertelt de buurman/vriend/kennis/broer/zus beleefd met een zuur glimlachje, dat de wijn best lekker is. De vakantieliefde komt ruw aan zijn einde.
Dit fenomeen is alom bekend en er zouden twee oorzaken aan ten grondslag liggen. Transport en de omstandigheden. Voor transport geldt het volgende. De wijn moet eerst rustig bijkomen van de reis, moet even liggen. Toch wel minimaal een maand op een koele en donkere plaats. Wat omstandigheden betreft gaat men er vanuit dat als je op vakantie bent en het zonnetje lekker schijnt en je jezelf in het paradijs waant, daardoor alles lekkerder smaakt.
Beide zijn, helaas, niet waar. Of voor een groot gedeelte niet waar. Zo hebben omstandigheden wel degelijk invloed op je smaak, maar niet in zulke mate dat deze van een slok bocht opeens een goden nectar maakt of vice versa. Transport daarentegen is echt flauwekul, dan zou elke wijn die naar Nederland is geïmporteerd eerst een maand lang in de kelder van elke supermarkt of elke plaatselijke slijter moeten liggen voordat deze verkocht kan worden.
De wijnen die in de supermarkt of bij de plaatselijke slijter liggen zijn vaak afkomstig van de grotere wijnproducenten. En deze maken fabriekswijn. Nu kan fabriekswijn best lekker zijn, maar fabriekswijn is dood. Doodgeanalyseerd in het laboratorium, dood door de vele malen filteren , dood gesulfiteerd voor de houdbaarheid. Dood door kostenreductie en efficiencydruk. Dit alles dus in tegenstelling tot de wijn van de lokale wijnboer, die leeft. Die heeft een ziel. En iets wat leeft kan veranderen of iets wat leeft kan een goede of een slechte dag hebben.
Nu ben ik in de gelukkige omstandigheid dat ik veel wijn proef, vaak mijn eigen. En bij elke rondleiding die ik geef of elke proeverij, merk ik dat mijn wijnen altijd weer net iets anders zijn dan de vorige keer. Zo heb ik inmiddels door dat mijn rode wijn lijdt aan een zomerdepressie. Ergens in juli gaat hij op slot, een wijnuitdrukking welke inhoudt dat de wijn zijn geuren moeilijker loslaat en bij het proeven laat deze dan niet het achterste van zijn tong zien. Om in oktober weer te openen met een fluwelen kracht. Mijn wit en rosé daarentegen zijn echte lente en zomerkinderen. Deze dartelen op je tong zodra de temperatuur buiten weer boven de 15 graden gaat komen.
Lokale wijn leeft dus en iets wat leeft, vraagt uiteraard om een zorgvuldige behandeling en moet dus ook voorzichtig vervoerd worden en ook bij de juiste omstandigheden bewaard worden en gedronken worden, dus toch!.
|